Nicole van Vessum: ‘Ik begrijp dat juist dit bestaan bij mij hoort’

Al jaren kom ik op de Parade: als bezoeker, als partner namens Brand bier en als actief deelnemer met de Sportmonologen. Fan was ik vanaf het begin: de kleurrijke tentzeilen, prikkabels, houten bistrostoeltjes in het platgetrapte gras, de geur van poffertjes, de magische zweefmolen en fontijnbar en natuurlijk de liefde voor theater. Hoe mooi is het om artistiek directeur Nicole van Vessum te spreken. ‘Opeens zag ik het: de Parade is mijn zelfgekozen familie.’

Een levende kijkdoos; een rondreizend kermis-circus-theater waar werkelijkheid, fantasie en verlangen een tijdelijke synthese vinden; of ‘een utopische caleidoscoop van dingen waar je een glimlach van krijgt’.

Het zijn indrukwekkende beschrijvingen van de Parade, maar zeker niet typeringen die artistiek directeur Nicole van Vessum zelf snel gebruikt.

“Veel mensen denken bij de Parade aan een soort hippie-festival. Bijna niemand ziet dat het eerder een soort van militaire operatie is. In elke stad wordt er weer op- en afgebouwd: een klein dorp waar zo’n 800 mensen werken, waarvoor vergunningen zijn geregeld, arbeidsovereenkomsten gesloten. En dan heb je nog alle bezoekers: zo’n kwart miljoen per jaar. Daar is dus echt niks hippie-achtigs aan.”

Niet ‘leuk’
Van Vessum zit aan een tafel in het Parade-kantoor bij de Amsterdamse Tolhuistuinen. Haar lippen zijn zoals altijd rood gestift. In de maanden dat het theaterfestival niet rondreist langs de bekende vier steden Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam is dit het epicentrum van de organisatie.

Honderden artiesten maakten de afgelopen jaren op deze plek aan haar duidelijk waarom ze zo graag met hun voorstelling op het theaterfestival wilden staan. Zodra tijdens zo’n gesprek het woord ‘leuk’ valt grijpt Van Vessum resoluut in.

“Regel nummer 1: op de Parade staan is niet leuk”, zegt ze. “Het is twee, drie, soms zelfs vier keer spelen op één avond; ook als het regent. Je moet jezelf verkopen door parade te maken voor de tent: elke voorstelling opnieuw eerst contact maken met potentieel publiek op het festivalterrein. Op de Parade staan betekent jezelf te blubber werken zonder enige zekerheid dat het je iets oplevert.”

Grote aantrekkingskracht
Voor het publiek klinkt dit vreemd, maar voor artiesten is het herkenbaar. Gekscherend zeggen ze vaak: ‘spelen op Oerol, het theaterfestival op Terschelling, is als de hemel, De Parade is de hel’.

Dat ze toch zo graag op de Parade staan met hun voorstelling komt door de aantrekkingskracht: het avontuurlijke, de circusromantiek, meereizende medewerkers in tenten en caravans op het een plek niet toegankelijk voor de buitenwereld, het afgesloten festivalterrein en de lange banken op het zonnige zomerse theaterfeest die het publiek verplichten tijdens het eten en de rosé naast elkaar te zitten en met elkaar te praten. Van Vessum kent die aantrekkingskracht goed.

Tenten opbouwen
Het was jaren tachtig. Ze was een jong meisje, een tiener zonder kennis van theater, op zoek naar avontuur. Via het uitgaanscircuit in Amsterdam belandde ze als roadie bij de het Werkteater. Het Amsterdamse theatergezelschap was destijds onderdeel van de Boulevard of Broken Dreams: de voorloper van De Parade.

Als enige vrouw hielp ze bij het opbouwen van tenten. Het was spannend, maar in de jaren negentig wilde ze wat anders.

Ze deed de kunstacademie, studeerde culturele studies en ging werken bij de Uitmarkt en bij IDTV. Ze bouwde onbedoeld een ideale CV op voor de positie van programmeur van De Parade: toen nog een kleine functie. “De dag van de sollicitatie belden ze mij op: U komt toch wel hè? Ik was een van de twee gegadigden.’”

Geen subsidies
Ze begon in 2000, werkte zeven jaar lang samen met Terts Brinkhoff - bedenker en directeur van De Parade - en nam het in 2007 van hem over.

Van Vessum drukte steeds duidelijker haar stempel op het festival. De programmering, samen met zakelijk leider Ray van Santen en sinds 2018 ook John de Weerd, was veel inhoudelijker geworden.

Daar is ze trots op, maar nog meer dat ze met z’n allen de lastige Corona-tijd hebben doorstaan. Als festival zonder subsidies kon ze geen beroep doen op steunmaatregelen. Met veel creativiteit, inhoudelijke keuzes en hulp van de bekende vier gemeenten lukte het om de financiën op orde te krijgen. Het festival is inmiddels weer financieel gezond.

Van Vessum is nog steeds medeverantwoordelijk voor de programmering. Gezamenlijk luisteren ze naar de uitleg van een voorstelling. Zonder deze ooit te zien nemen ze op basis van een pitch een beslissing. Gevraagd naar criteria volgt een lange stilte. “Kwetsbaarheid”, zegt ze dan. “Het gaat om inhoudelijk interessante ideeën, natuurlijk, maar zeker ook het vermogen je kwetsbaar op te stellen.”

Vrijheid om zichzelf te zijn
Volgens haar zit dit in het DNA van het festival. Dat toont zich bij de medewerkers en het meereizende barpersoneel.

Juist de misfits, de verlegen naar zichzelf zoekende jongeren, voelen op De Parade de vrijheid om zichzelf te zijn. De redenen daarvoor zijn velerlei, maar het hek rondom het festivalterrein speelt volgens haar ook een rol.

“Het entreegeld is natuurlijk deel van ons verdienmodel, maar belangrijker is dat we zo een veilige omgeving creëren; voor de bezoekers én voor onszelf.”

Dat inzicht is van de laatste tijd. De jaren van rondreizen, verplaatsen, slapen op het terrein vielen haar al langer zwaar.Er was een soort haat-liefde verhouding ontstaan. Soms dacht ze aan een rustiger werk op een plek waar ze gewoon zomervakantie had, ‘een meer volwassen baan’. Ze zag zichzelf dan als een grote kleuter die alleen maar wilde buiten spelen. “Ik zocht een soort rustig leven, maar ik begrijp dat juist dit bestaan bij mij hoort.”

TV-serie
Het afgelopen jaar was voor haar privé zwaar. Haar man stierf na een ziekbed van anderhalf jaar. Ze was vaak afwezig. Toch bleef de organisatie doordraaien. Collega’s vulden elkaar aan en gezamenlijk lukte het.

Deze ervaring veranderde haar relatie met het festival. Hoe precies bleek onlangs tijdens het kijken van Only Murders in the Building. De tv-serie gaat over twee mannen en een vrouw die vanuit hun fascinatie voor true crime de moorden gaan onderzoeken die zijn gepleegd in het appartementengebouw in Manhattan waar ze alle drie wonen. “Het is een wat flauwe serie, maar ik kon niet slapen dus ik bleef kijken. En ergens aan het einde van seizoen vier zei het meisje dat het gebouw waar ze wonen ‘een soort zelfgekozen familie was’.”

“En toen was ik zo ontroerd. Het is heel plat, maar ineens zag ik het: de Parade is mijn zelfgekozen familie. Dat inzicht voelt als een groot cadeau.”

Wat raad jij een 25-jarig bedrijf aan?
Nicole van Vessum: “Allereerst natuurlijk gefeliciteerd. 25 jaar is een mooie volwassen leeftijd en nodigt uit je verder te ontwikkelen. Dat proberen wij ook, elk jaar weer. Dat begint met een verrassende programmering, maar dat kan ook anders.”

“We begonnen een paar jaar geleden de Winterparade, en nu denken we over het in uitzonderlijke gevallen loslaten van een half uur als maximale speeltijd. Dat je bijvoorbeeld anderhalf uur speelt, maar wel in drie delen.”

“Bij ons komen goede ideeën vaak bij makers vandaan. De Sportmonologen, de voorstelling die jullie met XSAGA in 2015 maakten op de Parade is een goed voorbeeld. Het was een van de eerste keren dat wij echte mensen iets lieten vertellen. Storytelling – wat vind ik dat toch een stom woord –, maar verhalen vertellen is inmiddels ingeburgerd, en normaler geworden op de Parade.”

“Die omslag in programmering is mede dankzij jullie gekomen: een oud-sporter op een podium zijn eigen verhaal laten vertellen was voor mij een eyeopener. Dat werkte gewoon.”

“Het toont dat je open moet staan voor goede ideeën. Makers van de toekomst zijn bij ons altijd welkom. Dat betekent zeker niet altijd jonge makers; ook oudere makers komen vaak genoeg met verfrissende ideeën.”